Lies: ‘In de dagen na de bevrijding werd er op straat gedanst’

Vandaag precies 75 jaar geleden werd Deventer bevrijd door de derde Canadese Infanterie Divisie. Hoe ging het eraan toe op die dag? Lies Rouw (Deventer, 1932), dochter van raadslid Peeke Bosma, die in 1941 werd gearresteerd en later is vermoord, herinnert zich de dag van de bevrijding nog goed. Ik zocht mevrouw Rouw op en vroeg haar om ons mee terug te nemen naar 10 april 1945.

Tekst: Job Hulsman
Fotografie: Isabelle Renate la Poutré

‘Het gerommel begon een dag eerder, op 9 april. Vanaf ons huis in de Averlostraat, toen de rand van de stad, hoorde je de kanonnen naderen. Ik weet nog goed dat ik een stel vrouwen op de hoek van de straat hoorde praten. Een van hen zei: “Dit overleven we geen een van allen.” Ik hoopte dat ze het mis hadden, maar ik was bang. Het geluid was onheilspellend. De volgende ochtend zaten we in de kamer toen in het huis naast ons een Canadese granaat insloeg. Gruis en kalk kwam van de plafonds naar beneden. Ik was in paniek en vluchtte via de achterdeur het huis uit.

‘“Kom hier, kom binnen”, zei de vader van een vriendinnetje die vlakbij woonde. Hij stond in de deuropening van zijn huis en zag me lopen. Hij leidde me naar de kruipruimte onder de plankenvloer in het midden van de kamer. Meer mensen hielden zich daar verscholen, waaronder mijn vriendinnetje. In mijn herinnering heb ik er niet lang gezeten, want al snel zei haar vader: “Jongens, komt er maar uut. Wie bint bevrijd.” Dus wij naar buiten, en ja hoor, daar liepen ze: de Canadese soldaten met hun bolvormige helmen met netten met daaronder pakken verband. Onder hen drie roodharigen, ik zie ze nog zo lopen. Het zag er meteen vriendelijker uit.

We waren blij, natuurlijk waren we blij. Deventer was bevrijd. Vanaf het huis van mijn vriendinnetje liep ik naar het veldje bij de Schuilingschool aan de Rielerweg. Daar stonden de Canadese tanks. Vanuit de luiken bovenin deelden de geallieerde soldaten chocola uit. Eén Duitse soldaat werd onder schot gehouden tegen een muur en huilde. Die jongen hadden ze uit het spoorhuis gehaald, vermoed ik. Daar zat het Duitse luchtafweergeschut. Even verderop, op de landerijen van de Brinkgreven, waren de bevrijders in de weer met vlammenwerpers. Waarschijnlijk spoorden ze explosieven op. Verstandig was het niet om meteen de straat op te gaan. Maar ja, we waren blij en dachten niet na.

Verhalen uit de Koekstad in je inbox? Meld je aan voor mijn nieuwsbrief.

De volgende ochtend werden de vrouwen die met Duitsers waren of waren geweest opgepakt en kaalgeschoren, moffenmeiden werden ze genoemd. Ik kende er drie, maar ik noem geen namen. Twee van hen hebben ze gepakt, de derde – zij had de ene na de andere Duitser – hield zich verscholen in een kelderkast en is niet gepakt. Achteraf denk ik: zoiets overkomt je, je bent jong, 18, 19 jaar, meiden en jongens. Hoe het leven daarna verder ging? In de dagen na de bevrijding werd er in veel wijken in Deventer gedanst op straat. Een groot volksfeest herinner ik me niet.

Zo kwam er een einde aan de oorlog, een periode die ik me vooral herinner als donker en grauw. Mijn vader is al in 1941 opgepakt en weggevoerd. Waar hij precies was wisten we lange tijd niet. In Dachau, hoorden we later. Als oudste kind in het gezin – ik was negen jaar – kreeg ik veel verantwoordelijkheid. Het geld dat mijn moeder verdiende in hotel De Engel en later in werkhuizen was bij lange na niet genoeg om iedereen bij ons thuis – mijn opoe, moeder, zusje, broertje en ik – te voorzien van eten. En dus ging ik naar de gaarkeuken aan het Sijzenbaanplein om eten op te halen. Het was altijd kool, altijd die weeïge lucht. We waren de enigen in de straat die er gebruik van maakten; in alle andere huizen was nog een man, maar mijn moeder moest de kost alleen verdienen.

Overdag ging ik naar de winkeltjes in de buurt om onze bonkaarten in te wisselen: een beetje jam, koffie van gebrande eikels, ceylon tabletten. Dat moest dan thee verbeelden. Af en toe kregen we bonnen om koek op te halen bij Bussink in de Lange Bisschopstraat. Als het even kon ging ik de stad uit, vaak met een ander meisje uit de buurt. Op blote voeten liepen we naar de boerderijen. Daar vroegen we om boterhammen of andere etenswaren. Soms kwam de melkboer door onze straat. Taptemelk zat er in de melkbussen, een vetarm restproduct dat overblijft bij de productie van boter. Het was niet te drinken.

Volg de Koekstad: TwitterInstagram of Facebook.

Op het spoor op het rangeerterrein zochten we tijdens de oorlog naar uitgebrande kolen. Het was bruikbaar brandmateriaal. Eén keer stuitten we op een stilstaande locomotief met daarachter een rij veewagons. De bakken zaten vol met mensen die via de beluchtingsluiken briefjes naar buiten gooiden. Ik pakte zo’n briefje op en bracht het naar huis. Mijn moeder las het: een jongen uit Haarlem sprak zijn familie moed in. ‘Het komt goed, ik kom weer terug.’ Wij stuurden het op naar zijn familie en deden er een briefje bij: ‘Gevonden in Deventer.’ Later kregen we een brief terug met twee gulden vijftig erin – voor de moeite.

In 2017 veranderde er veel voor mij. Johan van der Veen van de werkgroep Vergeten Verzet liet me weten dat ze bezig waren om de in de oorlog weggevoerde Deventer raadsleden, waaronder mijn vader Peeke Bosma, weer een naam te geven. Ik was overdonderd. Sindsdien is het een rollercoaster waar ik me in bevind: artikelen in de krant, een struikelsteen voor mijn ouderlijk huis in de Averlostraat en zelfs een straat in Steenbrugge die naar mijn vader is vernoemd. Ik vind het heel mooi. Tot die tijd kabbelde mijn leven een beetje voort. Ik ben de mensen – de werkgroep, Johan, maar ook Bep Spa en Dick Metselaar – erg dankbaar.

Dat mijn vader alsnog erkenning heeft gekregen geeft rust. Een tijdje geleden bracht mijn jongste dochter met haar man een bezoek aan kamp Amersfoort, waar mijn vader ook heeft gezeten. ‘Zoeken jullie iets?’ vroeg iemand toen ze daar liepen. Mijn dochter zei: “Mijn opa heeft hier gevangen gezeten.” Later vertelde mijn dochter dat het de eerste keer was dat ze hem opa noemde. Tot die tijd was het altijd “de vader van mijn moeder.” Het ontroerde me. Mijn dochters hebben nu een opa, mijn vader is weer gaan leven. Ik ben 87 jaar en vind het fijn dat ik er nog met mijn dochters over heb kunnen praten. Dat heb ik mijn hele leven eigenlijk niet gedaan.’

__

Met dank aan Mano Scherpbier (Overijssel viert 75 jaar vrijheid), Karst Vaartjes (4 mei comité Deventer) en Otto van Huffelen (Werkgroep Struikelstenen Deventer).

Het interview en de fotosessie vonden eind februari plaats, ruim voor de coronacrisis.

5 Comments

Add Yours →

Mooi verhaal, mijn complimenten hiervoor. Als geboren Deventernaar (1944) maar al meer dan dertig jaar elders wonend, vind ik het prachtig verhalen als deze te lezen. Voor mevr. Rouw en haar familie zal het een goed gevoel geven dat dit persoonlijke verhaal terecht vastgelegd is.

Mooi en beeldend geschreven. Ook prachtige foto’s, vooral de handen die ook een verhaal vertellen.
Het ontroert mij! Vrijheid, erkenning van leed, respect voor degenen die hebben gestreden en het niet overleefd hebben.
Dit zijn verhalen die we moeten blijven vertellen! De duisternis van oorlog, leven in een hel maar ook de onvergetelijke smaak van vrede, vrijheid.
Lang leve de vrijheid en ik hoop op een wereld vol vrede en vrijheid! Vrij van oorlog, geweld, angst en onderdrukking!
Een dappere vrouw. Dank dat u uw verhaal met ons durft te delen.

Mooi zeg. De aankondiging van dit verhaal trok me niet zo; ik kreeg net de indruk dat hier iets interessants uit zou komen. Maar al lezend kreeg ik een beetje Kinderjaren-gevoel erbij (van Jona Oberski); juist de gewone niks-bijzonders toon waarop mevrouw Rouw haar verhaal lijkt te vertellen maakt het indrukwekkend, omdat de details zo groot en ook heftig zijn. En dat doet mij dan weer eens beseffen hoe dichtbij die oorlog eigenlijk nog steeds is…. Dank aan de drie mensen die dit verhaal samen maakten!

Geef een reactie